Binnenstebuiten

Home » Heil uit de diepte

Categorie archief: Heil uit de diepte

Advertenties

De Bokkenrijders-mythe ontrafeld

In de roman ‘Heil uit de diepte – Kolen, kerk en ketterij’ die ik in 2014 publiceerde, schonk ik veel aandacht aan de roemruchte achttiende-eeuwse Bokkenrijders in Limburg. December vorig jaar verscheen het boek ‘Facetten uit de geschiedenis van het Land van Rode’. Het dagblad De Limburger wijdde er een uitvoerige recensie aan (zie: De Limburger – Recensie Bokkenrijders (16 jan 2018))

In een uitvoerig artikel in dit boek gaan Mathieu Huijnen en ik in op de hopeloze rechtspraak van die dagen en de onmacht van Brussel om orde op zaken te stellen. Na een analyse van het speelveld en de kenmerken van het strafproces stellen wij vast dat er geen sprake is geweest van ‘benden’ die het land terroriseerden. Wij bevestigen en passant de bevindingen van Louis Augustus die eerder tot de conclusie kwam dat tal van onschuldige burgers op basis van onder dwang afgelegde ‘bekentenissen’ een wrede dood vonden.

Ons artikel ontkracht de bevindingen van o.m. antropoloog Anton Blok die in zijn veel geroemde studie ‘De bokkenrijders – Roversbenden en geheime genootschappen in de Landen van Overmaas’, de mythe van de bokkenrijders een wetenschappelijke fundering gaf. Dwang en (dreiging met) tortuur leidden tot ‘bekentenissen’ van al dan niet gepleegde overvallen en vooral tot oeverloze ellende. Brussel had mogelijkheden om in te grijpen in de rechtsgang maar benutte die niet. Brussel bleek niet meer dan een papieren tijger.

Het fenomeen ‘bokkenrijders’ heeft decennialang aanleiding gegeven tot grote letterkundige activiteit. Deze zgn. misdadige benden zouden een schrikbewind hebben gevoerd. Dit gegeven leidde tot romans, wetenschappelijke publicaties en een aanhoudende rij kinderboeken. Ook diverse carnavalsverenigingen ontlenen er hun naam aan.

Het artikel waarin wij de rechtspraak kraken en de mythe ontzenuwen, heet:
Macht en onmacht in de processen tegen de bokkenrijders – Brussel en de justitie in de (Oostenrijkse) Landen van ’s-Hertogenrade en Valkenburg (1740 – 1780)’.

Titel:
Facetten uit de geschiedenis van het Land van Rode
Historische Reeks Parkstad Limburg nr. 11
Stichting Historische Kring “Het Land van Herle”
Auteurs: Lei Heijenrath, Mathieu Huijnen, Lea Nijsten-Höfte†, Hub van Wersch

Bestellen: Via boekhandel of rechtstreeks bij boekhandel Leeskunst in Kerkrade.
T: 045-5355390. E-mail: info@leeskunst.nl

Advertenties

Lancering

Het geluk dat ik had bij het zoeken naar een uitgever voor de roman waaraan ik ruim 3,5 jaar werkte, houdt nog even aan. Ik vaar duidelijk voor de wind. Wanneer gaat die draaien? De lancering van ‘Heil uit de diepte’ was een drietrapsraket. De overhandiging van het eerste exemplaar vond plaats in de prachtige rococobibliotheek van Rolduc, de abdij die een centrale plaats inneemt in de roman. De tweede trap was een presentatie van het boek in de Kerkraadse boekhandel Leeskunst. Kerkrade is de grensstad tussen Duitsland en Nederland waar een groot deel van de handelingen plaatsvindt. De derde trap betrof een presentatie in Alphen aan den Rijn waar Joop van den Berg, emeritus hoogleraar parlementaire geschiedenis, een doorwrochte inleiding hield over het boek.

De drie trappen vertoonden een sterke groei qua inhoud en publieke belangstelling. In Alphen kon ik vele tientallen boeken signeren. De poging de kopers te bedienen met een persoonlijke boodschap vormde een stimulerende uitputtingsslag waaraan ik bijna bezweek. Dat dit risico dreigde, was een omstandigheid waar je vooraf natuurlijk graag voor zou tekenen.

De roman is grotendeels gesitueerd in Limburg, maar die keuze had ook anders kunnen uitvallen. Bijzonder gelukkig ben ik daarom met de conclusie die Van den Berg trekt aan het einde van zijn betoog: “In zijn nieuwsgierigheid en grondigheid overstijgt het boek alle regionalisme. Het is van belang voor ieder die is geïnteresseerd in de geschiedenis en sociologie van een West-Europees grensgebied”.

Na de drietrapsraket en deels daarmee samenvallend kreeg ik een paginagroot verhaal in het AD, een even groot verhaal in het Limburgs Dagblad (Nederlands grootste provinciale krant), een fors interview in het programma ‘De Stemming’ van de Limburgse Radio (L1), een uitvoerig interview in het programma ‘Limburg Vandaag’ van TV Limburg en een groot gesprek met de lokale nieuwszender Alphen Stad FM/TV.

Hoewel Limburg een natuurlijk vertrekpunt is voor de promotie van een roman als ‘Heil uit de diepte’, zou ik mijn doel voorbijschieten als de belangstelling zich tot deze provincie zou beperken. In elk geval had de media-aandacht amper beter gekund.

Nog drie dagen resteren voordat ik op het vliegtuig stap naar Zuid-Amerika voor een zeilreis en een trektocht. De voorbereidingen daarvan zijn ernstig in het slop geraakt door alle drukte. Toch liever zo dan anders.

 

Werk uitgevoerd…

Nog een vol jaar vergde de bewerking van de tekst. Gevoelsmatig was dat veel minder. Dag na dag stortte ik me in en op het scheppingsproces. Een all out attack. Op basis van commentaren en gegroeide inzichten reduceerde ik de complexiteit, vergrootte het aantal dialogen, drong het informatiegehalte terug, herschikte fragmenten, schrapte en breidde uit. Mijn slaap werd rustelozer, maar mijn zelfvertrouwen steeg.

Ik besefte beter dat elke lezer niet anders kan dan reageren vanuit eigen kennis, talent en levenservaring. Die bepalen de interessegebieden. Je persoonlijke achtergrond determineert waar je belangstelling naar uitgaat, bepaalt wat je mooi of lelijk, saai of spannend vindt. Schrijver en lezer delen die beperking. Onmogelijk dus ook om een verhaal te schrijven dat iedereen gelijkelijk fascineert. Naarmate een boek complexer is, is de kans groter dat je als lezer geraakt wordt door bepaalde aspecten of thema’s. Andere spreken je domweg minder aan. Dat verandert niets aan de noodzaak voor de schrijver zijn hele hebben en houden in de strijd te gooien bij elk personage dat hij opvoert en elk thema dat hij aansnijdt. Alleen zo maakt hij kans een zo groot mogelijke groep lezers te bereiken.

De weg had niet veel langer moeten zijn. Soms schemerde het voor mijn ogen. De batterij is bijna leeg. Zoiets geldt ook voor meelezers. Je kunt niet verwachten dat iemand zich telkens oplaadt om onbevangen te kijken naar een nieuwe tekstversie. Bijkomend probleem was bovendien dat het manuscript in voortdurende staat van bewerking verkeerde. Dat werd pijnlijk duidelijk als ik na lang wachten reacties kreeg op tekstdelen die intussen alweer stevig waren veranderd. Een snelle reactie helpt soms meer dan een uitputtende die te laat komt.

Rest nog het vinden van een uitgever. Peulenschil. De laatste jaren vulden de krantenkolommen zich met onheilspellende berichten over de malaise waarin de uitgeverijbranche zich bevindt. Nieuws over het oprukkende e-book, de ontlezing, het overweldigende aanbod van manuscripten, de dalende afzet van boeken, de veroudering van het lezersbestand. De plagen van Egypte daalden in een dichte regen neer op de boekenbranche. Met bijbehorende krantenkoppen: ‘Pegasus op weg naar het slachthuis’, ‘Polare trapt op de noodrem’, ‘Óf een megaseller, of bijna niks’, ‘Malaise in de uitgeverswereld – Wat ging er mis en hoe moet het verder?’ Maart 2014 meldt het CBS dat het aantal faillissementen in de branche is verdubbeld.

Wat moet je dan nog als debuterende 60 plusser in een markt die naar adem snakt? Ach, het maakt niet zoveel uit. Je weet dat publicatie van je manuscript voor 40%  afhankelijk is van geluk, voor 30% van toeval, voor 20% van eigen verdienste en voor 10% van overige omstandigheden. Over de verhoudingsgetallen valt nog te discussiëren, over de strekking niet. Hoe dan ook: mission accomplished.

 

Werk in uitvoering (7)

Na 2,5 jaar werken, móest ik weten of mijn inspanningen kans van slagen hadden. Onzekerheid knaagde. Ik selecteerde een groep meelezers die bereid was een onvoldragen tekst te beoordelen, een tekst die nog aanzienlijk zou worden uitgebreid. Een onmogelijke opgave want het totaalplaatje ontbrak. Het boek kon nog vele kanten opdraaien.

Hoe moet je een tekst beoordelen als je niet weet hoe de volledige tekst eruit ziet? Maar mijn behoefte aan feed back was enorm. Die kreeg ik. De commentaren waren helder en scherp. Vaak geheel tegenstrijdig ook. Waar de een niets zag in de aanwezigheid van een bepaald personage verklaarde de ander dat juist dat personage een essentiële rol vervulde in het verhaal. Dat de tekst niet compleet was, verklaart waarschijnlijk een deel van de tegenstellingen. Maar belangrijker dan de onvolmaaktheid van de aangereikte tekst en belangrijker dan de botsende meningen was voor mij de conclusie dat de aangesneden thema’s boeiden. Ik kon weer verder.

Toch dreigde ik langzaam door mijn eigen tekst te worden gewurgd. Voor een schrijver misschien een fraaie dood, maar voor mij geen einddoel. Er moest nog flink worden geschaafd en gesnoeid. Fragmenten sloten gebrekkig op elkaar aan. De lijn in het boek was onvoldoende zichtbaar. De karaktertekening van de hoofdpersonen moest beter. Kortom, nog zeker een jaar werk.

Het lastigste deel van het traject lag nog voor me, weet ik nu. Er was inmiddels een grote massa tekst. Forse delen waren gereed en al schrijvende waren er allerlei verbindingen ontstaan. Ik merkte dat ik niet ongestraft fragmenten kon verplaatsen om tot een logischer geheel te komen. Onmogelijk. Ook de onvoltooide delen waren op vele manieren met elkaar verknoopt. Hetzelfde gold voor de verhaallijnen.

Het lijkt op het verplaatsen van spaghetti (tekstfragmenten) in een pan. Trek je met een spaghettitang een deel van de slierten eruit dan blijft daar een leegte achter met open einden naar alle kanten. Die ruimte moet je opnieuw vullen. Dat vraagt om nieuwe verbindingen. Maar de plek waar ik het opgediepte fragment naar toe wilde brengen, was evenmin ingericht op soepele integratie. Daar lagen al vele meeldraden. Toevoeging van nieuwe elementen betekende dat op die plek ruimte moest worden geschapen. Ook moesten er nieuwe verbindingen tot stand worden gebracht. Tegelijkertijd moest de grote lijn van het verhaal behouden blijven of worden versterkt. Intellectuele uitputting lag op de loer.

Werk in uitvoering (6)

Intussen weer aan het werk op mijn stek in mijn woonplaats. Goede internetverbindingen en contact met de levenden zijn een voordeel. Voor het overige domineren de nadelen. Teveel zaken die afleiden. Vragen die beantwoord en klussen die geklaard moeten worden. Het is niet anders.

Waar sta ik nu? Ik heb enkele honderden pagina’s ruwe tekst. In drukvorm waarschijnlijk 400. In mijn hoofd zijn de verbanden tussen de 115 fragmenten die ik intussen heb geschreven wel aanwezig, maar er is nog enorm veel dat om verheldering vraagt. Vooral het bepalen van de samenhang tussen die fragmenten vormt een uitdaging. Ze delen tijdvak, regio en thema als gemeenschappelijke noemer. Dat is niet genoeg. Het lijkt nog teveel op een hoop losse druiven van verschillende soort, grootte en smaak. Met elkaar vormen ze nog niet de verleidelijke druiventros die mij voor ogen staat.

Om meer overzicht te krijgen, moest ik ordenen. Ik deed dat op verschillende manieren. Eerst thematisch. Lastig want veel fragmenten zijn verweven met meer dan één thema. Het uit elkaar plukken van een fragment helpt dan niet. Er ontstaan enkel nog méér categorieën. Daarna ordende ik op periode. Dat was hoe dan ook nodig. Vele personages treden in verschillende tijdvakken op. Om de periodisering te vergemakkelijken, besloot ik ook tot een zuiver chronologische ordening per persoon. Zo werd helder wie op welk moment waarmee bezig was. Ik zag nu verbanden die me tot dat moment waren ontgaan. Ik maakte ook een lijst met jaartallen gekoppeld aan de belangrijkste gebeurtenissen. Dat viel niet mee. Veel gebeurtenissen zijn gebrekkig gedateerd.

Ik werd stapel van alle ordeningen en kreeg behoefte aan een ordening van de ordeningen. Toch waren deze oefeningen cruciaal. Helder werd waar lacunes waren, waar onderwerpen beter ingepast moesten worden in de romptekst, waar fragmenten konden verdwijnen. Kan het anders? Misschien. Kan ik het anders? Misschien. De structuur van de roman wordt in elk geval steeds beter zichtbaar. Het doorploegen van al het materiaal was daarvoor een voorwaarde. Eerder was ik simpelweg nog niet zo ver dat ik tot deze exercitie kon besluiten.

De verhaallijn wordt sterk aangestuurd door feitelijke historische ontwikkelingen, de kracht van deze roman. Voor pure fictie is moord en doodslag, seks en drama geboden. Die lijn wil ik niet. De werkelijkheid is vreemd genoeg. Daarin volg ik Laurent Binet.  Ik ruik de finish.

 

Werk in uitvoering (5)

Ik dender voort. Kijk niet op of om. Zie het onheil niet aankomen. Vreemd voor iemand die zo met het heil bezig is. Plots komt de mededeling dat ik de bungalow moet verlaten. Binnen enkele dagen. Verkocht. Shit. Ik was nog maar amper begonnen. Ja, er is veel tekst, maar er is ontzettend veel wat nog beschreven moet worden. Aan een finale ordening van het materiaal heb ik nog niet eens gedácht. Ik ben blij dat forse delen van het mozaïek zichtbaar worden. Die zijn klaar. Toch is de literaire retraite voorbij. Onverbiddelijk. Het werk is nog niet uitgevoerd, maar wat geeft dat? Dat deert enkel de auteur.

Als een hond zijn baas, zo volgt mijn geworstel met feit en fictie het schrijfproces. Een vriend stuurt me het boek Himmlers Hirn heißt Heydrich (HHhH) van Laurent Binet. Die heeft daar een duidelijke opvatting over: ‘In een historisch verhaal is er niets kunstmatiger dan dialogen die op basis van min of meer uit de eerste hand afkomstige getuigenissen in scène zijn gezet onder het mom de dode bladzijden van het verleden leven in te blazen.’ Binet hoort daarin de stem van de auteur ‘op zoek naar de stem van historische figuren die hij zich probeert toe te eigenen.’

Kunstmatig. Toeëigenen. Toe maar. Vaarwel schone, boeiende vertellingen die een prachtig licht werpen op lang vervlogen tijden. Al die fictie is onwenselijk, meent Binet. Hou je aan de feiten. Doet hij ook. HHhH behandelt een episode in de tweede wereldoorlog en verhaalt over een aanslag op Heydrich. Beslist boeiend, maar hoe stelt hij zich voor episoden en personen te beschrijven waarvoor niet uit bodemloze bronnen kan worden geput zoals de literatuur over de tweede wereldoorlog? Die is heerlijk dichtbij. Naast een weelde aan geschreven documentatie heb je dan ook nog de beschikking over audiovisuele documentatie. In Hülle und Fülle.

Wie verder teruggaat in de geschiedenis leeft niet in zulke weelde. Hoe komt de eenvoudige mens die door de eeuwen heen in de literatuur is veronachtzaamd dan aan bod? Niet. Hoe komt de stemloze dan aan een stem? Niet. De onderkant van de samenleving krijgt pas sinds een eeuw serieuze aandacht in de literatuur. Wanneer inlevingsvermogen (gebaseerd op historische documentatie) niet gebruikt mag worden waar historische bronnen ontbreken, zullen tallozen monddood blijven. Nee, wat voor HHhH geldt, is zeker niet toepasbaar in andere omstandigheden. Binet gaat mij niet helpen. Te beperkt geldig.

 

 

Werk in uitvoering (4)

Schrijven blijkt een voortdurend op en neer bewegen, een permanent wisselen tussen personages en tijden. In elk geval bij deze roman. Ik leun op het vertrouwen dat het lukt om alle elementen in een zinvol verband samen te voegen. Waarom zou dat moeten lukken? Weet ik niet. Het moet gewoon.

Langzaam worden de contouren zichtbaar van mijn roman. Door die vele wisselingen stuit ik op verbanden en samenhangen die anders voor mij verborgen zouden zijn gebleven. Fascinerend. Wie zich vastbijt in één specifiek persoon mist makkelijk de connectie met andere personen die tot een andere generatie behoren.

De worsteling tussen feit en fictie ligt toch nog niet achter me, merk ik. Ik switchte van historische namen naar fictieve, maar nu heb ik weer de weg terug ingeslagen. Waarom? Met een tekstverwerker is switchen eenvoudig. De drempel is dus laag, maar dat is niet de reden. Ik merk dat ik lijd onder de gedachte dat de lezer veel passages zal aanmerken als fictief terwijl die godbeterehet gewoon feitelijk zijn. Doodzonde. Je zou willen roepen: ‘Maar zo ging het echt!’ Bij krasse staaltjes feitelijke gebeurtenissen vermelden dat die werkelijk plaatsvonden, kan niet. Dat roept weer twijfel op over alle andere passages waar die vermelding niet wordt gemaakt. Het risico dat die dan vervolgens als verzonnen worden beschouwd, is veel te groot. Dat is nog erger.

De eerste keer dat ik de namen van de belangrijkste personages wijzigde, was dat simpel omdat ik ruimte wilde om te schrijven. De historie zat me in de weg. Fictieve namen boden uitkomst. Nu ben ik weer terug bij historische namen. In feite om dezelfde reden. Opnieuw zit de geschiedenis me in de weg. Maar nu omgekeerd. Fictieve namen suggereren veel te sterk dat alle gebeurtenissen ‘verzonnen’ zijn. Het besef dat het hierbij meestal gaat om de ware toedracht gaat zo verloren. Mag niet gebeuren. Dan maar weer historische namen. Wat een gepuzzel.