Binnenstebuiten

Hub van Wersch

hvwersch

hvwersch

http://nl.linkedin.com/pub/hub-van-wersch/80/11/129

Bekijk volledig profiel →

Adoptiestop is een onjuist besluit

Het in februari gepubliceerde rapport van de Commissie Joustra over de gebreken van interlandelijke adoptie leidde tot hoge golven van emotie. Het belangrijkste advies (stoppen met adoptie) wordt niet ondersteund door een gedegen CBS-onderzoek dat in opdracht van de rapporteurs werd uitgevoerd. Dit feit bleef vrijwel onopgemerkt in de publiciteit. De Limburger publiceerde 15 april 2021 bijgaand opiniestuk van mijn hand. Daarin betoog ik dat stoppen met adoptie onjuist is.

Foutief en suggestief

Onder de kop ‘Dat schreef hij niet’ publiceerde de NRC vrijdag 19 februari onderstaande brief waarin ik de journaliste Anouk Eigenraam aanspreek op haar tendentieuze berichtgeving over interlandelijke adoptie.

De reactie van Anouk Eigenraam (Wuif adoptiemisstanden niet weg, 17/2) op het opinieartikel van Tom Schulpen (Dat adoptierapport schoffeert onnodig, 12/2) schiet schromelijk tekort. Haar citaten zijn foutief en suggestief.

Eigenraam noemt het schokkend dat Schulpen corruptiepraktijken billijkt en citeert: „logisch dat mensen uitwegen zochten en hun toevlucht namen tot corruptie”.  Maar na te hebben uitgelegd dat er enorm lange wachtlijsten waren, schreef Schulpen vragenderwijs: „Is het vreemd dat in deze heksenketel mensen naar uitwegen zochten zoals het zelf doen of beïnvloeding via corrupte ambtenaren in de landen van herkomst?” Van enige rechtvaardiging van die praktijk is geen sprake.

Zij verwijt Schulpen dat hij op de hoogte was van misstanden in China maar zich niet wendde tot de overheid. Schulpen publiceerde zelfs over die misstanden in The Lancet, een van de meest gerenommeerde geneeskundige tijdschriften. Dat kun je onmogelijk zien als het verdonkeremanen van de werkelijkheid.

Eigenraam citeert: “geadopteerden moeten maar accepteren dat veel gegevens wellicht nooit gevonden zullen worden”, maar Schulpen schreef op basis van veel onderzoek: „Toch zal men moeten accepteren dat veel gegevens niet beschikbaar zijn en dat roots mogelijk nooit gevonden zullen worden, hoe verdrietig ook.” Dat is een totaal andere toonzetting en inhoud.

Eigenraam stelt dat Schulpen excuses ‘eist’ omdat ouders en bemiddelende instanties in een zeer kwalijk daglicht worden gesteld terwijl het rapport erkent dat  het overgrote deel van de adoptiekinderen positief staat tegenover de adoptie. Schulpen eiste dat niet, maar achtte dat „op zijn plaats”. Eigenraam noemt deze ‘eis’ „Pathetisch en onzinnig.” Geldt die kwalificatie niet eerder voor haar artikel?

Hub van Wersch
Alphen aan den Rijn

Verdomhoekje

Al sinds vele jaren zit interlandelijke adoptie in het verdomhoekje. Keer op keer wordt de schijnwerper gezet op misstanden waardoor er een sterk vertekend beeld ontstaat van de werkelijkheid van adoptie. De publicatie van het rapport van de Commissie Joustra werd opnieuw aanleiding voor een hausse aan kritische en negatieve berichtgeving. Er is daarbij zelden sprake van evenwichtigheid. Zo bracht Trouw een over drie pagina’s uitgesmeerd interview met Daksha van Dijk, een in India geboren psychotherapeute, die uitvoerig verhaalt over de problemen die zij heeft ervaren als adoptiekind. Ook de NRC pakte fors uit met kritische verhalen en een scherp veroordelend hoofdredactioneel commentaar waarin de zweep werd gehaald over interlandelijke adoptie.*

De commotie stoelt doorgaans op feiten en inzichten die kwantificering en nuancering behoeven en dan tot andere conclusies kunnen leiden. Er is geen enkele aanleiding de talrijke problemen verbonden met internationale adoptie te verdoezelen, maar er is altijd reden om onzuivere communicatie over een zo precair onderwerp te voorkomen. Weinig kernbevindingen in het rapport van de Commissie Joustra zijn nieuw. Al vele decennia is het dringend geboden zorgvuldige en controleerbare procedures te hanteren bij adopties. Dat staat buiten kijf. Evenzeer dat daarbij de belangen van het kind voorop moeten staan. Dat de complexiteit en kwetsbaarheid van een internationale adoptie vaak ernstig is onderschat, staat evenmin ter discussie, maar dat e.e.a. moet leiden tot een stop op internationale adoptie is onzin en nauwelijks in het belang van talrijke geadopteerde kinderen.

Eerst wat feiten. Adoptie is een betrekkelijk kleinschalig fenomeen. Sinds adoptie in Nederland mogelijk werd, zijn ca. 60.000 kinderen geadopteerd. Ongeveer 40.000 van hen zijn afkomstig uit het buitenland. Dus tweemaal zoveel kinderen uit het buitenland als uit Nederland. Dat wordt o.m. verklaard door het geringe aantal voor adoptie beschikbare kinderen in ons land. Interlandelijke adopties piekten in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw (met name adopties uit Indonesië, India en Zuid-Korea) en opnieuw tussen 1995 en 2005. Intussen is de stroom adoptiekinderen geslonken tot minder dan 200 per jaar en is China hoofdleverancier (hoofdzakelijk meisjes).

In het NRC-commentaar wordt sterk de nadruk gelegd op de adoptiewaardering en -beleving van de adoptiekinderen. Het commentaar spreekt over een ‘gematigd positieve’ houding van geadopteerden t.a.v. hun adoptie. Wat is ‘gematigd’? Het rapport concludeert: ‘Geadopteerde personen zijn gemiddeld genomen overwegend positief over interlandelijke adoptie. Zo geeft 84% aan dat adoptie hen meer kansen heeft gegeven en geeft 70% aan blij te zijn dat hij/zij geadopteerd is.’ Het is maar wat je ‘gematigd’ noemt. Je vraagt je af hoe hoog de percentages moeten zijn om in aanmerking te komen voor de kwalificatie ‘gewenste aanvulling op landelijke adoptie’.

Uit statistieken blijkt verder dat 70% van de ondervraagde adoptiekinderen in Joustra’s onderzoek de stelling onderschrijft dat ze ‘al met al een gelukkige jeugd’ hebben gehad. Voor niet-geadopteerde kinderen is dat percentage 80, een verschil van slechts 10 procent. Je zou kunnen spreken van een verassend sterke successcore voor adoptiekinderen als je rekening houdt met de zeer complexe achtergrond van deze kinderen: er is altijd sprake van ontworteling, in vele landen is sprake van seksediscriminatie (zeer beroerde perspectieven voor meisjes), van huidskleurdiscriminatie, van sterk variërende fysieke en/of mentale handicaps, uitzichtloze armoede en van verstoting. Hoezo ‘gematigd positief’?

Dat adoptie in eigen land de voorkeur verdient, staat niet ter discussie mits in dat land de voorwaarden aanwezig zijn om de adoptie succesvol te maken en dat is helaas lang niet altijd het geval. Dat scherp moet worden toegezien op de naleving van alle voorschriften omtrent adoptie (in het land van herkomst zowel als in het land van aankomst) is in het belang van adoptiekinderen zowel als dat van de betrokken (adoptie)ouders. Ook de adoptieouders dragen in dit proces een zeer verantwoordelijke rol. Dat er veel mis gaat met adoptiekinderen is betreurenswaardig, maar dat geldt ook voor het grootbrengen van eigen kinderen. Kritisch én ondersteunend begeleiden van adopties nadat aan alle voorwaarden is voldaan, is zinvoller dan internationale adopties in de ban doen en verantwoordelijk opererende ouders in het schandblok plaatsen.

* Op 12 februari publiceerde de NRC een gedegen repliek van prof. Ton Schulpen. Zulke publicaties blijven echter een zeldzaamheid.

India: ontsnapt aan corona, gevangen in vijanddenken

Met 1,3 miljard inwoners en 150.000 coronadoden ten tijde van de jaarwisseling lijkt India op onverwachte wijze te ontsnappen aan de ergste uitwassen van Covid-19. Weliswaar staat India op de tweede plaats achter de VS wat betreft het aantal geregistreerde besmettingen (meer dan 10 miljoen), maar het aantal dodelijke slachtoffers is – gemeten naar de omvang van de bevolking – verhoudingsgewijs laag. Tegelijkertijd zinkt het land dag na dag dieper weg in een moeras van onverdraagzaamheid, een ontwikkeling die ernstiger kan blijken dan Covid-19.

Afgaande op de officiële cijfers bleef India maandenlang gevrijwaard van een hevige verspreiding van het virus. Er leek zich een Indiaas wonder te voltrekken met dodentallen die nauwelijks afweken van die in Nederland. Voor dat wonder bestonden en bestaan vele verklaringen waaronder een serie opeenvolgende strenge lockdowns vanaf 24 maart 2020. Andere verklaringen zijn dat er in de aanvangstijd minimaal werd getest (dus geen besmettingen), dat de Indiase bevolking zeer jong is (53% jonger dan 25 jaar), dat in de meeste sterfgevallen overlijdensaktes met doodsoorzaak ontbreken en dat er sprake is van een gebrekkige registratie van sterfgevallen die wél corona gerelateerd zijn.

Dat veranderde geleidelijk, het testen werd uitgebreid en besmettingen en sterfgevallen kwamen beter in beeld, maar half augustus 2020 ging het nog steeds ‘maar’ om 50.000 doden. Op 1 oktober waren dat er 100.000 en nu heeft India 150.000 coronadoden gerapporteerd. De gevreesde massale sterfte, waarbij rekening moest worden gehouden met mogelijk zelfs miljoenen doden als gevolg van de ongecontroleerde verspreiding van het virus, vond niet plaats. Na een besmettingspiek in september is de besmettingsgraad gestaag afgenomen en nu er ook effectieve vaccins aan de horizon zijn verschenen, lijkt het onwaarschijnlijk dat India zelfs maar in de buurt komt van het gevreesde gitzwarte scenario. Toch nog een wonder gelet op de beroerde staat van de Indiase gezondheidszorg (te weinig ziekenhuizen, personeel en middelen).

Prime Minister Narendra Modi takes part in the bhoomi pujan for the construction of a Ram temple in Ayodhya, August 5, 2020.
Photo: PIB

Maar er zijn ook andere problemen. Met de komst van premier Narendra Modi (centraal op foto) kreeg India in 2014 een leidsman die de hindoes stelselmatig voedt met de gedachte dat India onder zijn leiding een grote toekomst tegemoet gaat. Het arriveren van die toekomst gaat gepaard met gelijktijdige repressie van vrijheid en minderheden, in het bijzonder de ca. 190 miljoen Indiërs omvattende moslimpopulatie. Vanaf de eerste dag van zijn premierschap heeft Modi duidelijk gemaakt waar hij staat: aan de kant van de hindoes. Van een morele opdracht tot het verbinden van de talrijke verschillende bevolkingsgroepen in zijn land lijkt hij nooit te hebben gehoord.

Modi’s gedachtegoed is nectar voor miljoenen oververhitte hindoes die onnadenkend al hun frustraties projecteren op moslims en er alles aan doen om moslims het leven zuur te maken terwijl die toch al tot een achtergestelde bevolkingsgroep behoren. De jacht op vleesetende niet-hindoes is daarvan een cru voorbeeld, een jacht die diverse slachtoffers heeft gemaakt waarbij lynchen ordentelijke rechtspraak vervangt.

De vernietiging van de moslimtempel in Ayodhya op 6 december 1992 (zie blog: Ayodhya, tragiek zonder perspectief) is aan te merken als een tragisch keerpunt in de moderne geschiedenis van India. Niemand werd veroordeeld voor deze schandelijke daad van bewust opgeklopte volkswoede, die duizenden doden tot gevolg had; ook niet na processen die decennia hebben gevergd. Uiteindelijk bepaalde de Indiase Hoge Raad dat op de plek waar eeuwenlang een moskee stond nu een nieuwe tempel gebouwd mag worden, gewijd aan de god Ram (spreek uit: Raam).

Je zou verwachten dat een premier die zijn land lief heeft, nalaat olie op het vuur te gooien. Maar op  5 augustus 2020 woonde premier Modi nadrukkelijk een religieuze hindoeplechtigheid (bhoomi pujan) bij op de plek waar deze hindoetempel moet verrijzen (zie foto). Een duidelijker signaal aan de strijdlustige hindoefundamentalisten die toch al het toneel beheersen, was nauwelijks denkbaar. Dit was niet een stand back and stand by, maar een regelrecht en onverkort stand by door de man die als eerste de eenheid van India moet bewaken. Het moeras van intolerantie wint dagelijks terrein.

Op 2 januari 2021 protesteerde India bij Pakistan tegen een mislukte aanval van een opgewonden Pakistaanse menigte op 30 december vorig jaar op een hindoetempel in het district Karak in Pakistan. Dat dan weer wél.

Kretologie

De voortdurende, frontale en sterk op de persoon gerichte aanvallen op Piet Emmer, historicus met als specialisatie slavernijverleden, hebben aanzienlijk méér effect dan enkel een verkettering van Emmer. Die vergroten de angst om je vrijelijk te uiten. Wie op zoek is naar de waarheid omtrent het slavernijverleden waagt zich nauwelijks nog aan een openbare discussie want het etiket ‘racist’ wordt sneller geplakt dan onderbouwd. Het open en kritisch debat wordt er ernstig door belemmerd. Angst neemt het denken over.

De critici van Emmer leggen veel meer nadruk op bizar aandoende uitlatingen van de emeritus hoogleraar dan op een op feiten gebaseerde weerlegging van de essentie van zijn denkbeelden over slavernij. In de NRC van 10 oktober is het Zihni Özdil die de vloer aanveegt met Emmer, in de Volkskrant was het enkele dagen eerder Asha ten Broeke en daarvóór maakte de gebelgde journalist Gerri Eickhof gehakt van Emmer door hem weg te zetten als ‘racistische professor’. Het is slecht kersen eten met journalisten en columnisten want zij behouden altijd de mogelijkheid een ongewenste repliek onderuit te schoffelen zonder dat degene die hun handelwijze kritiseert kan eisen dat ook hun weerwoord wordt gepubliceerd. Het is makkelijk mensen te kakken te zetten als je de microfoon bedient.

Natuurlijk, het helpt niet dat Emmer van tijd tot tijd uitspraken doet (en daarvan zijn er vele) die jeuk veroorzaken, maar roepen dat hij een incompetente racist is, maakt het betoog niet sterker en vormt geen weerlegging van door hem na jarenlang onderzoek aangedragen gegevens. Wat is bijvoorbeeld waar van de grove schattingen dat 20–60 miljoen Afrikanen in slavernij werden weggevoerd naar andere continenten? Of is de bewering van Emmer juist dat het in werkelijkheid gaat om 12 miljoen slavernijslachtoffers, een getal dat ‘volgens internationaal historisch onderzoek’ zou zijn vastgesteld? Klopt zijn constatering dat het Nederlandse aandeel in de transcontinentale slavenhandel ca. 5% was en dat de winsten uit die handel in de topjaren van de achttiende eeuw niet meer dan 0,5 % bijdroegen aan het toenmalige nationale inkomen? Als dat juist is, relativeert dat de economische betekenis van de slavenhandel sterk. Over de inhumane aspecten zegt dat natuurlijk niets.

Slavernij is een fenomeen dat zich in de geschiedenis op vrijwel alle continenten heeft gemanifesteerd en zich in andere vormen – helaas – nog steeds manifesteert. Is het juist om bij het thema slavernij enkel te kijken naar de verderfelijke rol die blanken daarin hebben gespeeld of is het terecht ook het aandeel te belichten dat Afrikanen en vele anderen hadden in het bestaan van slavernij? Mag je de vraag opwerpen of onderzoek naar slavernij ook wetenschappelijk verantwoord kan zijn als de onderzoekers niet zwart of gekleurd zijn? Wordt een onderzoek beter omdat de onderzoeker een kleur heeft? Enz.

Jazeker, prof. Emmer doet soms vreemde beweringen. Zo schrijft hij bijvoorbeeld in zijn in 2018 gepubliceerde boek Het zwart-wit denken voorbij over slavernij in India: ‘Zo hoor je niet vaak dat de afschaffing van de slavernij in India de armoede onder de laagste kasten waarschijnlijk heeft vergroot, omdat armlastige ouders hun hongerige kinderen niet langer als slaven konden verkopen om zo hun (cursivering van mij) leven te redden’. Het is niet duidelijk of hier de ouders of de kinderen worden bedoeld, maar bizar blijft het. Maar belangrijker dan het te voeren debat kruiden met wonderlijke (meestal uit de context gelichte) uitspraken is toch het oppakken van de kern van zijn betoog en controleerbaar aantonen dat zijn beweringen onjuist zijn. Wie dat nalaat, drijft op de brede stroom van het anti-racisme, wint ongetwijfeld brede sympathie maar bewijst het onderzoek van de werkelijkheid een zeer slechte dienst. Wanneer gedegen feitenonderzoek achterwege blijft, resteert kretologie. Ernstiger nog is dat de oprecht kritische benadering van het verleden zo monddood wordt gemaakt en dat is gif voor het functioneren van onze democratie.

Voer je e-mailadres in om deze blog te volgen en om per e-mail meldingen over nieuwe berichten te ontvangen.

Voeg je bij 81 andere volgers

Follow Binnenstebuiten on WordPress.com